Terug

Nachrichten.fr · August 11, 2026

40 graden? Geen reden tot ophef. Gewoon blijven zweten.

KI-Illustration

Bijzonder fascinerend is echter ons vermogen om onszelf elke onzin wijs te maken.

38 graden?

“Dat hadden we vroeger ook al.”

40 graden?

“Het was toch maar een dag.”

Derde hittegolf?

“De zomer is altijd warm geweest.”

Natuurlijk. Vroeger waren er ook dinosaurussen. Dat maakt ze nog steeds niet tot een geschikt vervoermiddel.

De waarheid is ongemakkelijker.

Niet de afzonderlijke hittegolf verandert Frankrijk.

De hardnekkigheid ervan verandert Frankrijk.

Vroeger wachtte men op de zomer.

Tegenwoordig wacht men erop dat hij eindelijk weer verdwijnt.

Je slaapt slecht. Je werkt slechter. De zenuwen staan strak gespannen. Woningen veranderen in bakovens. De steden slaan de hitte op als een accu die vergeten is hoe hij zich moet ontladen. Zelfs ‘s nachts voelt de lucht alsof die rechtstreeks uit de föhn van een overijverige kapper komt.

En toch hoor je die zin.

“We moeten het gewoon verdragen.”

Nee.

Dat hoeven we niet.

Hitte is een paar dagen te verdragen. Wekenlange uitputting als het nieuwe normaal accepteren, is iets heel anders.

Maar precies dat gebeurt.

De uitzondering wordt een gewoonte.

Waarschuwingen worden achtergrondruis.

Verontwaardiging wordt schouderophalen.

Dat is misschien wel de grootste prestatie van onze tijd: we wennen sneller aan crises dan we oplossingen ontwikkelen.

In plaats van te bespreken hoe steden eindelijk koeler, woningen beter geisoleerd of werktijden flexibeler georganiseerd zouden kunnen worden, praten we liever over de vraag of 39 graden eigenlijk nog heet is of al “behoorlijk warm”.

Frankrijk lijkt inmiddels een opmerkelijk talent te hebben ontwikkeld om symptomen te beheren.

Een drinkfontein hier.

Een schaduwrijk park daar.

Een persconferentie.

Een paar brochures.

Klaar.

Alsof je een patient met een gebroken been aanraadt voortaan wat voorzichtiger te lopen.

Bijzonder grotesk wordt het wanneer mensen in ministeries met airconditioning spreken over hoe goed de bevolking zich toch heeft aangepast.

Natuurlijk heeft zij dat.

Wat blijft haar anders over?

Wie op een zolderverdieping woont, past zich aan.

Wie op een bouwplaats werkt, past zich aan.

Wie in de landbouw onder de brandende zon staat, past zich aan.

Wie ‘s nachts geen oog dichtdoet, past zich eveneens aan.

Aanpassing klinkt als kracht.

In werkelijkheid betekent het vaak niets anders dan: je hebt geen keuze.

Misschien moeten we ophouden onszelf om dit vermogen tot lijden te prijzen.

Een samenleving bewijst haar kracht immers niet door steeds meer lasten zwijgend te dragen.

Ze bewijst die door misstanden te herkennen voordat berusting tot staatsdoctrine wordt.

De gevaarlijkste zin van deze zomer luidt daarom niet: “Vandaag wordt het 40 graden.”

De gevaarlijkste zin luidt: “Je went eraan.”

Want zodra een samenleving eraan begint te wennen dat het onaanvaardbare normaal wordt, verliest zij de ambitie om het te veranderen.

En precies dan wint de hitte.

Niet buiten.

Maar in onze hoofden.

Andreas M. Brucker

Frankrijk zweet. Alweer.

Eigenlijk is dat verkeerd geformuleerd. Frankrijk zweet niet meer – Frankrijk kookt. Langzaam. Gelijkmatig. Op een laag pitje. En de officiele reactie doet inmiddels denken aan een ober die een gast in een brandend restaurant vriendelijk uitlegt dat de soep vandaag helaas iets heter is dan anders.

43 departementen onder hittewaarschuwing. Morgen misschien meer. Overmorgen misschien minder. Wat maakt het uit? Als de waarschuwingsapp maar blijft werken voordat de smartphone er door oververhitting mee ophoudt.

We kennen het ritueel inmiddels uit het hoofd.

De meteorologen waarschuwen. De politici doen een beroep op ons. De media tonen beelden van kinderen in fonteinen. Iemand interviewt een ijsverkoper die blij is met de goede zaken. En daarna legt een expert met ernstige blik uit dat je tussen 12 en 16 uur lichamelijke inspanning moet vermijden.

Nou zeg.

De dakdekker bedankt hartelijk. De wegenbouwer eveneens. Ook de zorgmedewerker zonder airconditioning op de afdeling zal deze informatie ongetwijfeld met grote belangstelling opnemen.

Er zijn adviezen die ongeveer even nuttig zijn als de opmerking dat je bij regen het best droog kunt blijven.

Andreas M. Brucker

Andreas M. Brucker

Bijzonder fascinerend is echter ons vermogen om onszelf elke onzin wijs te maken.

38 graden?

“Dat hadden we vroeger ook al.”

40 graden?

“Het was toch maar een dag.”

Derde hittegolf?

“De zomer is altijd warm geweest.”

Natuurlijk. Vroeger waren er ook dinosaurussen. Dat maakt ze nog steeds niet tot een geschikt vervoermiddel.

De waarheid is ongemakkelijker.

Niet de afzonderlijke hittegolf verandert Frankrijk.

De hardnekkigheid ervan verandert Frankrijk.

Vroeger wachtte men op de zomer.

Tegenwoordig wacht men erop dat hij eindelijk weer verdwijnt.

Je slaapt slecht. Je werkt slechter. De zenuwen staan strak gespannen. Woningen veranderen in bakovens. De steden slaan de hitte op als een accu die vergeten is hoe hij zich moet ontladen. Zelfs ‘s nachts voelt de lucht alsof die rechtstreeks uit de föhn van een overijverige kapper komt.

En toch hoor je die zin.

“We moeten het gewoon verdragen.”

Nee.

Dat hoeven we niet.

Hitte is een paar dagen te verdragen. Wekenlange uitputting als het nieuwe normaal accepteren, is iets heel anders.

Maar precies dat gebeurt.

De uitzondering wordt een gewoonte.

Waarschuwingen worden achtergrondruis.

Verontwaardiging wordt schouderophalen.

Dat is misschien wel de grootste prestatie van onze tijd: we wennen sneller aan crises dan we oplossingen ontwikkelen.

In plaats van te bespreken hoe steden eindelijk koeler, woningen beter geisoleerd of werktijden flexibeler georganiseerd zouden kunnen worden, praten we liever over de vraag of 39 graden eigenlijk nog heet is of al “behoorlijk warm”.

Frankrijk lijkt inmiddels een opmerkelijk talent te hebben ontwikkeld om symptomen te beheren.

Een drinkfontein hier.

Een schaduwrijk park daar.

Een persconferentie.

Een paar brochures.

Klaar.

Alsof je een patient met een gebroken been aanraadt voortaan wat voorzichtiger te lopen.

Bijzonder grotesk wordt het wanneer mensen in ministeries met airconditioning spreken over hoe goed de bevolking zich toch heeft aangepast.

Natuurlijk heeft zij dat.

Wat blijft haar anders over?

Wie op een zolderverdieping woont, past zich aan.

Wie op een bouwplaats werkt, past zich aan.

Wie in de landbouw onder de brandende zon staat, past zich aan.

Wie ‘s nachts geen oog dichtdoet, past zich eveneens aan.

Aanpassing klinkt als kracht.

In werkelijkheid betekent het vaak niets anders dan: je hebt geen keuze.

Misschien moeten we ophouden onszelf om dit vermogen tot lijden te prijzen.

Een samenleving bewijst haar kracht immers niet door steeds meer lasten zwijgend te dragen.

Ze bewijst die door misstanden te herkennen voordat berusting tot staatsdoctrine wordt.

De gevaarlijkste zin van deze zomer luidt daarom niet: “Vandaag wordt het 40 graden.”

De gevaarlijkste zin luidt: “Je went eraan.”

Want zodra een samenleving eraan begint te wennen dat het onaanvaardbare normaal wordt, verliest zij de ambitie om het te veranderen.

En precies dan wint de hitte.

Niet buiten.

Maar in onze hoofden.

Andreas M. Brucker