Frankrijk houdt van grote woorden.
Liberté. République. Résistance.
Dikke begrippen, gepolijst als een filosoof op de Boulevard Saint-Germain, vergezeld door de geur van koude espresso en decennia oude morele superioriteit.
En natuurlijk: vrijheid van meningsuiting.
Weinig landen vieren hun intellectuele onafhankelijkheid met zoveel passie. In Frankrijk discussieert men niet zomaar — men “voert debatten”. Zo luid mogelijk, zo dramatisch mogelijk, bij voorkeur met over elkaar geslagen armen in een tv-studio waarvan de belichting lijkt op een verhoorkamer voor existentialisten.
Maar juist daar, waar vrijheid zogenaamd heilig is, toont zich een opmerkelijk gevoelige zenuwachtigheid.
De ruzie rondom Canal+, Vincent Bolloré en het Festival de Cannes lijkt een les te zijn over de moderne Franse cultuurindustrie — en over haar panische angst voor echte onafhankelijkheid.
Honderden filmmakers waarschuwen openlijk voor de invloed van Bolloré op de cinema. Er worden manifesten ondertekend, men spreekt van bedreiging, culturele controle en politieke beïnvloeding. De gebruikelijke grote opera dus. Frankrijk zonder pathos zou tenslotte zijn als rode wijn zonder kater.
Dan reageert Canal+.
En plotseling wordt min of meer gezegd: wie tegen ons tekent, werkt misschien in de toekomst niet meer met ons samen.
Daar staat ze dan, de trotse filmindustrie — toonbaar voor de rode loper, maar met licht trillende knieën voor de boekhouding.
Want natuurlijk rebelleert men in de Franse cinema tegen het systeem.
Voorwaarde blijft echter dat het systeem eerst de productiekosten dekt.
Dat is de eigenlijke komiek van deze affaire.
De Franse culturele wereld ziet zichzelf graag als de laatste burcht van morele integriteit. Men strijdt tegen het kapitalisme, tegen machtsconcentratie, tegen rechtse mediamagnaten — maar wordt vaak juist gefinancierd door exact dezelfde concerns die ’s avonds op podia worden aangeklaagd.
Revolutie, alstublieft. Maar met subsidiegarantie.
Er zit iets tragikomisch Frans in: vroeger blokkeerde men wegen. Nu vreest men het schrappen van coproductiegelden. De Nouvelle Vague is definitief gearriveerd in de raad van bestuur.
En natuurlijk gaat het allang niet meer alleen om cinema.
De affaire onthult een veel groter probleem: Frankrijk praat voortdurend over culturele onafhankelijkheid, maar organiseert deze cultuur in een structuur van extreme economische afhankelijkheid. Een paar grote groepen controleren zenders, productiebudgetten, uitgeverijen, distributiekanalen en publieke aandacht.
Het resultaat doet soms denken aan een feodaal systeem met een intellectuele verfijning.
Kunstenaars spelen de rebellen.
De concerns spelen de mecenas.
En beiden hebben elkaar harder nodig dan ze willen toegeven.
Bijzonder fascinerend is daarbij de morele zelfpresentatie. De Franse cultuurscene houdt van de indruk van permanente dissidentie. Iedereen ziet zichzelf een beetje als Jean-Paul Sartre in het verzet — terwijl de gevaarlijkste tegenstander tegenwoordig vaak geen censor meer is, maar een Excel-sheet in een mediaconglomeraat.
Men rebelleert inmiddels met catering.
En toch doet Frankrijk alsof elke cultuurpolitieke strijd onmiddellijk een gevecht is om de ziel van de democratie. Dat klinkt heroïsch, maar verbergt een simpele waarheid: wie economisch afhankelijk is, bezit slechts beperkte vrijheid. Dat gold vroeger voor arbeiders. Vandaag geldt het blijkbaar ook voor auteursfilmers met festivalaccreditatie.
De eigenlijke ironie is dat juist die sector, die voortdurend over vrijheid van meningsuiting praat, tegenwoordig opvallend gevoelig reageert op tegenspraak.
Zodra machtsverhoudingen concreet worden — budgetten, zenders, contracten, marktaandelen — eindigt het romantische deel van het debat nogal abrupt. Dan blijkt dat culturele vrijheid in Frankrijk vaak werkt als een luxe raam in een oud gebouw: prachtig om te zien, maar alsjeblieft niet te ver openzetten.
En Vincent Bolloré?
De man vervult inmiddels bijna een nationale functie. Hij is minder ondernemer dan projectievlak. Voor de een een conservatieve cultuurstrijder met mediapracht. Voor de ander de perfecte slechterik die het Franse feuilleton dringend nodig heeft om zichzelf als verzetsbeweging te blijven voelen.
Zonder Bolloré zou de cultuurscene bijna een dramatisch element missen.
Want laten we eerlijk zijn: de Franse elite houdt vaak net zo veel van haar tegenstanders als van haar idealen. Zonder het grote conflict, zonder het morele alarm, zonder de dagelijkse republikeinse zelfdramatisering zou een aanzienlijk deel van het publieke discours in elkaar zakken als een soufflé in de tocht.
Misschien verklaart dat wel de hysterie rondom Cannes.
Daar komt tenslotte alles samen wat Frankrijk over zichzelf wil vertellen: kunst, macht, moraal, geld, politiek, glamour en de eeuwige bewering dat men natuurlijk aan de goede kant van de geschiedenis staat.
De actuele ruzie toont vooral één ding aan: vrijheid van meningsuiting vindt men in Frankrijk geweldig — zolang iedereen min of meer dezelfde mening deelt.
Het moment van echte dissidentie begint pas wanneer financiële consequenties dreigen.
En precies daar wordt het plotseling stil in de arthouse-cinema.