Frankrijk valt niet uit elkaar.
Dat is juist wat verontrustend is.
De treinen blijven rijden. De cafés zijn vol. De republiek functioneert op papier nog steeds opvallend nauwkeurig. Parijs straalt. De ministers spreken. Europa luistert. En toch hangt er over dit land inmiddels een vermoeidheid die zwaarder weegt dan open woede.
Het is de vermoeidheid van een staat die haar burgers steeds meer belooft – en hen tegelijkertijd steeds minder zekerheid kan bieden.
De Fransen ervaren tegenwoordig geen grote knal. Geen revolutie. Geen plotselinge chaos. Maar iets veel gevaarlijkers:
het langzame insluipen van twijfel in het dagelijks leven.
De doktersafspraak is pas over zes maanden.
De elektriciteitsrekening stijgt.
De scholen functioneren slechter.
Het water baart zorgen.
De staat maakt meer schulden.
En overal hoort men dezelfde zin:
„Zo kan het toch niet eeuwig doorgaan.”
Het Franse model leefde tientallen jaren van een stille overeenkomst:
De staat beschermt jullie. Daarom vertrouwen jullie de staat.
Precies dit contract begint nu te brokkelen.
Niet omdat Frankrijk arm geworden zou zijn. Niet omdat de instituties instorten. Maar omdat mensen voelen dat de politieke machine steeds hectischer werkt – en tegelijkertijd steeds minder vertrouwen produceert.
De eigenlijke crisis van Frankrijk is daarom geen financiële.
Geen militaire.
Geen partijpolitieke.
Het is een crisis van innerlijke zekerheid.
Een land verliest langzaam het geloof dat morgen beter zal zijn dan vandaag.
En misschien is dat juist de gevaarlijkste uitputting van een democratie:
als niet langer de woede de overhand heeft —
maar de stille hopeloosheid.