Wederom staat Frankrijk bij een graf en discussieert over hervormingen.
Wederom overstromen politici elkaar met eisen, voorstellen, actieplannen en welklinkende aankondigingen. Tuchtcolleges voor rechters. Meer middelen voor justitie. Het voorzorgsprincipe versterken. Vroegtijdige interventies. Betere controle. Meer coördinatie tussen instanties.
Allemaal maatregelen die plotseling dringend lijken.
Plotseling.
Want zoals zo vaak begint politieke vastberadenheid pas daar waar het leven van een kind al is uitgeroeid.
Lyhanna was elf jaar oud.
Elf.
Een leeftijd waarin kinderen dromen van vakanties, verjaardagscadeaus, de zomervakantie die voor hen ligt. Geen leeftijd waarbij een naam een nationale kop zou moeten worden en een gezicht op kaarsfoto’s verschijnt.
Nu vraagt heel Frankrijk zich af hoe dit kon gebeuren.
Een terechte vraag.
Maar net zo terecht is een andere: waarom wordt die pas achteraf gesteld?
De vermoedelijke dader was blijkbaar allerminst een onbeschreven blad. Er waren aanwijzingen. Procedures. Meldingen. Waarschuwingssignalen. Er was geen kristallen bol of bovennatuurlijke gave nodig om ten minste beter te kijken.
En precies daar begint het eigenlijke drama.
Niet bij het misdrijf zelf.
Maar bij het verbazingwekkende vermogen van staatsystemen om risico’s pas als risico’s te herkennen als ze al realiteit zijn geworden.
Frankrijk discussieert nu over het voorzorgsprincipe. Een mooi woord. Bijna poëtisch.
Voorzorg.
Alsof de staat net heeft ontdekt dat preventie goedkoper, menselijker en vooral effectiever is dan latere verontwaardiging.
De politieke klasse lijkt deze dagen op een brandweer die bij een afgebrand huis aankomt en daarna een gepassioneerd debat voert over de aanschaf van nieuwe slangen.
Natuurlijk heeft justitie meer middelen nodig.
Natuurlijk moeten instanties beter samenwerken.
Natuurlijk mogen waarschuwingssignalen niet in archiefmappen verdwijnen.
Maar al deze waarheden waren waar nog voordat Lyhanna verdween.
Precies daarin ligt de bitterheid van deze zaak.
Niemand had op deze tragedie hoeven wachten om de problemen te herkennen.
Toch gebeurde dat wel.
Nu leveren politici een wedstrijd in vastberadenheid. Elk voorstel klinkt iets harder dan het vorige. Elke eis iets meer beslist. Elke persconferentie iets dramatischer.
Je zou bijna denken dat de republiek op het punt staat van een revolutie in het beleid voor kinderbescherming.
Bijna.
Want Frankrijk heeft al wetten. Al procedures. Al meldsystemen. Al instanties.
Wat vaak ontbreekt is niet de volgende hervorming.
Het is de consequentie.
Het is de aandacht.
Het is de wil om bij de eerste waarschuwingssignalen ongemakkelijk te handelen in plaats van later getroffen te lijken.
De waarheid is onaangenaam.
Een staat bewijst zijn kracht niet door het aantal persberichten na een tragedie. Hij bewijst het door het aantal tragedies dat nooit gebeurt.
Maar preventie heeft een groot nadeel: het produceert geen krantenkoppen.
Niemand praat over het kind dat nooit slachtoffer werd.
Niemand houdt een minuut stilte voor een ramp die werd voorkomen.
Niemand wint politieke punten met een drama dat nooit gebeurde.
En zo beweegt het openbare leven vaak volgens een triest patroon: eerst het falen. Dan de verontwaardiging. Dan de hervormingsbeloften. Dan het vergeten.
Tot de volgende naam.
Tot het volgende kind.
Tot de volgende nationale schok.
Lyhanna had geen debat nodig.
Geen onderzoekscommissie.
Geen politieke wedijver om de hardste eis.
Ze had iets veel eenvoudigers nodig: dat waarschuwingen tijdig serieus worden genomen.
Men hoort tegenwoordig vaak de zin: “Het is nooit te laat om consequenties te trekken.”
Dat klinkt troostend.
Maar alleen voor degenen die nog leven.
Voor Lyhanna kwam elke consequentie te laat.
En juist daarom zou Frankrijk zich minder moeten afvragen welke hervorming nu wordt aangekondigd.
Maar waarom zoveel verantwoordelijken pas willen handelen als er niets meer te redden valt.
Door C. Hatty