Waarom eigenlijk?
Waarom moet in Frankrijk uit bijna elke grote menigte vroeg of laat een groot veiligheidspolitiek experiment ontstaan? Waarom is het niet genoeg als honderdduizenden mensen gewoon feestvieren, juichen, zingen en naar huis gaan? Waarom lijkt het alsof altijd iemand van mening is dat de geur van traangas onmisbaar is op de nationale evenementenkalender?
Paris Saint-Germain wint de Champions League. Een historisch moment voor veel fans. De straten vullen zich met vreugde, emoties en enthousiasme. Voor een kort moment lijkt het alsof mensen gewoon samen vieren.
Maar dan gebeurt wat inmiddels bijna iets ritueels heeft in Frankrijk.
Sirenes.
Politieafzettingen.
Wolken rook.
En natuurlijk het onvermijdelijke politieke debat over wie er eigenlijk schuldig is.
Soms vraag je je af of ergens in de inzetplannen de zin staat: „Vanaf een bepaald aantal vrolijke burgers moet automatisch het maximale escalatieniveau worden ingeluid.”
Natuurlijk zijn er geweldplegers. Natuurlijk zijn er relschoppers die elke gelegenheid aangrijpen om auto’s in brand te steken, etalages in te slaan of agenten aan te vallen. Niemand met gezond verstand zal dat verdedigen.
Maar juist daarom komt de Franse reflex vaak zo vreemd over. In plaats van gericht tegen de veroorzakers op te treden, ontstaat er regelmatig de indruk dat hele menigten onder algemeen verdenking worden gesteld. Families, jongeren, voetbalfans, toeristen – iedereen belandt plotseling in een situatie die meer doet denken aan een noodtoestand dan aan een sportfeest.
En dan verbaas je je over spanningen.
Wie had dat kunnen voorspellen?
Als mensen tussen vuurpijlen, afzethekken en traangaswolken zitten, ontstaat zelden een ontspannen volksfeeststemming. Vreemd genoeg reageren mensen op druk niet altijd met dankbaarheid.
Wat daarbij vooral opvalt is de politieke routine. De een verdedigt elke maatregel van de veiligheidsdiensten alsof het om het redden van de republiek gaat. De ander doet alsof alleen de autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de uitbarstingen. Daartussen verdwijnt de realiteit ergens in de mist – soms letterlijk.
Terwijl de echte vraag zou moeten zijn: waarom lukt het andere landen steeds weer om enorme menigten te laten vieren zonder dat het een maatschappelijke stresstest wordt?
In Frankrijk lijkt echter elk groots evenement een onuitgesproken script te volgen. Eerst de euforie. Dan de escalatie. Daarna de televisie-debatten. Uiteindelijk de wederzijdse schuldtoewijzingen.
En enkele weken later begint alles weer van voren af aan.
Misschien is dat de echte tragedie. Niet het geweld van enkele relschoppers. Niet de politieke ruzies. Maar het feit dat veel Fransen er allang op rekenen. Alsof het er gewoon bij hoort.
Een kampioensfeest zonder politiecontroverse?
Zonder traangas?
Zonder brandende afvalcontainers?
Bijna verdacht.
Je zou de verantwoordelijken soms willen toeroepen: laat de mensen gewoon feestvieren. Niet elke menigte is een veiligheidsrisico. Niet elke juichende massa is een bedreiging voor de staat. En niet elke nacht vol emoties hoeft per se te eindigen in een rookwolk en politieke verontwaardiging.
Maar misschien is dat inmiddels juist het Franse probleem: de overdrijving is allang geen uitglijder meer.
Ze is een gewoonte geworden.
Door C. Hatty