Twintig miljoen vogels. Elk jaar. Verdwijnen. Gewoon zo.
Je moet deze cijfers even laten bezinken. Twintig miljoen gevederde stemmen die verstommen. Twintig miljoen kleine levenssignalen die niet meer over de velden schieten, niet meer in heggen tjirpen, niet meer de lente aankondigen. En terwijl de natuur stiller wordt, hoor je in sommige politieke en agrarische kringen vooral één ding: het tevreden gezoem van de pesticidenspuit.
Want blijkbaar geldt nog steeds de simpele formule: meer chemie op de velden betekent meer opbrengst, meer efficiëntie en dus gelukkige boeren. Dat daarbij hele ecosystemen worden platgewalst, lijkt voor velen slechts een betreurenswaardige nevenschade te zijn. Je zou bijna denken dat de veldleeuwerik gewoon vergeten is zich aan te passen aan de economische noodzaak.
De cijfers van vogelbeschermers zijn alarmerend. Vooral de kleine zangvogels verdwijnen. Zwaluwen, mussen, meesjes – die soorten die generaties mensen als vanzelfsprekend deel van hun jeugd hebben ervaren. Wie vandaag op het platteland onderweg is, merkt het verschil vaak meteen. Vroeger was vogelgezang de achtergrondmuziek van een zomerdag. Tegenwoordig heerst er op veel plekken een stilte die bijna griezelig aandoet.
Natuurlijk kent men de oorzaken allang. Niemand hoeft meer te raden. De intensieve landbouw met haar chemische arsenaal vernietigt insecten waarop veel vogelsoorten afhankelijk zijn. Heggen verdwijnen, akkerranden worden verwijderd, kleine toevluchtsoorden geëgaliseerd. Het landschap wordt geoptimaliseerd als een industriële productievloer – gladgestreken, gladgestreken en nog eens gladgestreken. De natuur daarentegen werkt niet als een fabriekshal. Ze heeft diversiteit, wanorde, leven nodig.
Maar in plaats van de consequenties te trekken, wordt er liever gedebatteerd over hoe milieuregels verder versoepeld kunnen worden. Immers, de tractor mag niet afgeremd worden door onnodige terughoudendheid. De veldleeuwerik moet zich per se economisch lonend maken. En de zwaluw? Misschien kan zij in de toekomst gewoon een businessplan overleggen.
De eigenlijke schande ligt echter niet alleen in het uitsterven van soorten zelf. Die ligt in ons opmerkelijke vermogen om waarschuwingssignalen te negeren. Vogels worden al tientallen jaren gezien als graadmeter voor de toestand van de natuur. Als hun aantallen instorten, wijst dat op een veel groter probleem. Ze zijn de kanarie in de kolenmijn van ons milieu.
Maar we handelen alsof we de alarmbellen slechts beschouwen als storende achtergrondgeluiden.
De ontwikkeling is daardoor des te bitterder, omdat succesvolle natuurbeschermingsprojecten laten zien dat veranderingen mogelijk zijn. De ooievaar bijvoorbeeld heeft zich op veel plaatsen indrukwekkend hersteld. Waar beschermingsmaatregelen consequent uitgevoerd werden, keerde het leven terug. De natuur reageert verbazingwekkend snel als je haar de ruimte geeft.
Maar juist daarin ligt de ironie van onze tijd. We weten wat werkt. We kennen de oorzaken. We kennen de oplossingen.
En toch gaan we door.
Misschien omdat pesticiden op korte termijn winst opleveren. Misschien omdat politieke termijnen korter zijn dan ecologische processen. Misschien ook omdat een verdwenen mus geen lobby heeft.
Ooit zal de rekening worden gepresenteerd. Niet aan de vogels. Die zijn dan allang weg.
Aan ons.
En dan zullen we ons realiseren dat biodiversiteit niet zomaar kan worden nabesteld als een vervangend onderdeel voor een combine.
Een commentaar van C. Hatty