Sommige auto’s vervoeren mensen. Andere vervoeren herinneringen. De Citroën 2CV hoorde altijd tot de tweede soort. De „Eend“ hobbelde niet zomaar over landwegen — ze vertelde iets over Frankrijk, over vrijheid en over die eigenaardige lust voor het onvolmaakte, die vandaag de dag bijna uitgestorven lijkt.
En nu keert ze terug. Elektrisch. Juist nu.
Dat klinkt aanvankelijk als een van die nostalgische marketingtrucs waarmee autofabrikanten hun verleden al jaren uitmelken. Een paar ronde koplampen hier, een beetje retrocharme daar — klaar is het businessmodel van verlangen. Maar bij de Eend ligt het ingewikkelder. Misschien zelfs serieuzer.
Want de oude 2CV was nooit glamour.
Ze klapperde, schommelde en klonk bij tegenwind vaak als een overbelaste stofzuiger. Op Duitse snelwegen kwam ze over als een klapstoel in een orkaan: totaal niet souverain. Juist daarom hielden miljoenen mensen van deze auto. De Eend weigerde mee te doen aan prestigedenken met bijna trotse koppigheid.
Wie toen in een Eend reed, liet de wereld stil maar duidelijk weten: ik doe niet mee aan deze gekte.
In Frankrijk heeft deze auto tot op de dag van vandaag bijna een mythische status. De Eend hoort daar bij het landschap zoals stokbroden, rotondes en filosoferende cafébezoekers. Studenten reden erin tijdens de revoltes van de jaren zestig, boeren over hobbelige veldwegen, jonge gezinnen naar de Middellandse Zee. Ze paste overal — juist omdat ze nooit indruk wilde maken.
En misschien verklaart dat precies haar terugkeer.
Want de Europese auto-industrie zit midden in een vreemde crisis. Elektrische auto’s gelden weliswaar als toekomst, maar lijken voor veel mensen vooral luxeproducten voor stedelijke beterverdieners. De voertuigen worden groter, de prijzen ook. Wie vandaag door Parijs, Berlijn of Milaan loopt, ziet tonnen zware elektrische SUV’s die eruitzien alsof ze zo de Alpen willen oversteken — terwijl ze meestal alleen voor biowinkels parkeren.
Dan dringt zich bijna automatisch de vraag op: wanneer werd mobiliteit eigenlijk zo ingewikkeld?
Citroën lijkt deze stemming verbazingwekkend precies te lezen. De nieuwe elektrische Eend moet geen technisch monster worden, geen futuristisch statussymbool met schermwanden en lichtshows zoals in een vliegveld-lounge. In plaats daarvan wijst veel op een radicaal simpel concept: licht, betaalbaar, praktisch.
Bijna bescheiden.
En plotseling voelt de terugkeer van de Eend minder als nostalgie, eerder als een politieke uitspraak. De oorspronkelijk als 2CV bekende auto ontstond na de oorlog als een democratisch mobiliteitsproject. Frankrijk wilde toen geen luxeauto bouwen, maar een voertuig voor mensen die zich nog geen auto konden veroorloven. De beroemde opdracht was in de trant van: een boer moet er eieren mee over een akker kunnen vervoeren zonder dat ze breken.
Vandaag staat Europa opnieuw op een soortgelijk punt. Weer gaat het om de vraag wie mobiliteit kan betalen. Weer draait alles om maatschappelijke verandering. Alleen ruikt de omwenteling deze keer niet naar benzine, maar naar lithium en laadparken.
Natuurlijk blijft er scepsis.
Kun je een anti-prestigieuze icoon moderniseren zonder zijn karakter te ruïneren? Daar zijn al talrijke retroprojecten op stukgelopen. De nieuwe Fiat 500 bijvoorbeeld leeft sterk van zijn verleden, maar lijkt inmiddels zelf een accessoire voor binnensteden met huurprijzen buiten alle proporties.
De Eend mag echter nooit gelikt lijken. Ze heeft die licht schuine, geïmproviseerde uitstraling nodig — alsof iemand per ongeluk een auto heeft uitgevonden die toch werkt. Misschien juist daarom.
Je voelt nu al hoe sterk het verlangen naar eenvoud is geworden. Naar dingen die niet constant aandacht vragen. Geen digitaal salvo, geen software-update bij het inparkeren, geen cockpit als een overbelaste elektronicazaak.
Instappen, wegrijden, klaar.
Zo simpel. Eigenlijk gek, toch?
Misschien heeft de elektrische Eend daarom juist vandaag haar grootste kans. Niet ondanks haar verleden, maar dankzij dat verleden. Terwijl Europa zwalkt tussen Chinese concurrentie, klimaatdoelen en industriële angsten, herinnert deze kleine Franse auto plotseling aan iets bijna vergeten: vooruitgang hoeft niet altijd opzichtig te zijn.
Soms volstaat ook een klapperend symbool op vier smalle wielen.
Een artikel van M. Legrand