Met de eis voor een mogelijke nationalisatie van TotalEnergies heeft Manuel Bompard, coördinator van La France insoumise (LFI), een oude economische beleidsvraag nieuw leven ingeblazen: welke rol moet de staat spelen in strategische industrieën? Vanuit het perspectief van de radicale linkerzijde is het antwoord duidelijk. Energie is geen gewoon marktgoed, maar een centraal onderdeel van nationale soevereiniteit – en mag daarom niet alleen aan private bedrijven worden overgelaten.
Aanleiding voor het debat waren de hoge winsten van de Franse olie- en energiegigant en diens rol in het klimaatbeleid. Bompard betoogt dat publieke controle over TotalEnergies niet alleen ecologisch zinvol zou zijn, maar op lange termijn zelfs aanzienlijke inkomsten voor de staat zou kunnen genereren. De logica daarachter is eenvoudig: als een bedrijf miljardenwinsten maakt en hoge dividenden uitkeert, zouden die opbrengsten in de toekomst rechtstreeks in de openbare schatkist kunnen vloeien.
De eis knoopt aan bij een lange traditie van Frans economisch beleid. Al na de Tweede Wereldoorlog zette Frankrijk sterk in op door de staat geleide industrieën. Grote delen van de energie-, vervoers- en financiële sector stonden tijdelijk onder openbaar bestuur. Ook in de jaren tachtig voerde de socialistische regering onder François Mitterrand uitgebreide nationalisaties door, voordat later weer privatiseringen plaatsvonden.
Voor La France Insoumise gaat het vandaag echter minder om klassieke industriepolitiek dan om het sturen van de ecologische transformatie. Een genationaliseerde TotalEnergies zou volgens de partij investeringen meer op hernieuwbare energie kunnen concentreren, de uitbreiding van fossiele projecten beperken en prijsontwikkelingen politiek beter bestuurbaar maken. Daarachter ligt de overtuiging dat de markt alleen de energietransitie niet snel genoeg kan organiseren.
De economische realiteit maakt een dergelijk voornemen echter uiterst ingewikkeld. TotalEnergies behoort tot de waardevolste bedrijven van Europa. Een volledige overname door de staat zou, afhankelijk van de beurswaarde, vermoedelijk ver boven honderd miljard euro kosten. Zelfs een meerderheidsbelang zou de toch al gespannen Franse begrotingssituatie zwaar belasten.
Bovendien zou zo’n stap niet alleen financieel risicovol zijn, maar ook politiek en juridisch gevoelig. Internationale investeerders zouden kapitaal kunnen afhalen, aandeelhouders zouden compensatie eisen, en de Franse staatsschuld zou waarschijnlijk verder stijgen. Daar komt de praktische vraag bij of een staat een wereldwijd opererende energieconcern met activiteiten in tientallen landen efficiënt kan aansturen.
Desalniettemin valt het op dat de discussie over sterkere staatsingrepen in strategische sectoren inmiddels in heel Europa aan belang wint. De energiecrisis als gevolg van de oorlog in Oekraïne heeft veel regeringen ertoe gebracht sterker in markten in te grijpen. Duitsland en het Verenigd Koninkrijk grepen recent tijdelijk in bij energiebedrijven om de leveringszekerheid en prijsstabiliteit te waarborgen. Het idee dat de staat in crisistijden weer sterker economisch sturend optreedt, wordt daarom allang niet meer als een louter ideologische randpositie beschouwd.
In Frankrijk blijft een volledige nationalisatie van TotalEnergies voorlopig echter onwaarschijnlijk. Noch het politieke centrum rond Emmanuel Macron, noch conservatieve krachten of grote delen van de sociaaldemocratie steunen op dit moment een project van deze omvang. De debatvoering toont echter hoezeer de energie- en economische politiek in Europa zich onder de druk van klimaatverandering, geopolitieke crises en toenemende sociale onzekerheid herformeert.