Parijs – 19.07.2026: Tellen met de vingers moet bij kinderen op kleuterleeftijd niet voortijdig als een achterstand worden beschouwd. Daarop wijzen meerdere recente onderzoeken naar vroege rekenvaardigheid. Vingers maken hoeveelheden zichtbaar, helpen bij het ordelijk tellen en verbinden telwoorden met concrete handelingen. Voor vijf- en zesjarigen kan dit een stevige brug vormen tussen aanschouwelijk tellen en abstracter rekenen.
Een in maart 2026 in het vaktijdschrift Scientific Reports gepubliceerd onderzoek testte een programma met twaalf sessies van elk 30 minuten. Er namen 33 kinderen van vijf tot zes jaar aan deel; 37 andere kinderen vormden een vergelijkingsgroep met het gebruikelijke onderwijs. De vingeroefeningen omvatten tellen, het herkennen van hoeveelheden en eenvoudige rekenopgaven. Bij de algemene vroege rekenvaardigheid bleek er een statistisch significant voordeel van gemiddelde sterkte.
De studie staat echter geen algemene gelijkstelling van vingergebruik en leersucces toe. De onderzoekers benadrukken zelf dat extra oefentijd een deel van het effect zou kunnen verklaren. Bovendien verschilden de verbeteringen per deelgebied: zij waren vooral duidelijk bij getalkennis en tellen, terwijl er bij het begrip van de grootte en volgorde van getallen geen eenduidig effect werd vastgesteld. Kleinere steekproeven beperken daarnaast de generaliseerbaarheid.
Sterkere aanwijzingen biedt een in 2025 gepubliceerde interventiestudie met 328 kleuters, voornamelijk uit Frankrijk. Kinderen die aanvankelijk niet met hun vingers rekenden, verbeterden na gerichte training bij optelopgaven hun score van 37,3 naar 77,1 procent. In een controlegroep steeg die slechts van 39,6 naar 47,8 procent. Het resultaat werd getoetst in verdere, kleinere onderzoeken met gecontroleerde vergelijkingsgroepen.
De pedagogische conclusie is genuanceerd. Tellen op de vingers vervangt geen getalbegrip, maar kan dit wel ondersteunen. Bij het tellen koppelt een kind elk telwoord aan één vinger. Daarmee oefent het de een-op-eenkoppeling, een stabiele telvolgorde en het inzicht dat het laatst genoemde getal de totale hoeveelheid aanduidt. Bij opgaven als drie plus twee kunnen deelhoeveelheden bovendien gelijktijdig worden weergegeven en vervolgens worden opgeteld.
Niet elk kind profiteert op dezelfde manier. Eerder onderzoek toont aan dat kinderen de strategie vooral effectief inzetten wanneer zij de centrale telprincipes al ten minste gedeeltelijk begrijpen. Wie deze basis nog niet beheerst, heeft meer nodig dan een mechanisch aangeleerde handbeweging. Tellen op de vingers is daarom geen wondermiddel, maar wel een laagdrempelig leermiddel dat leerkrachten en ouders niet zouden moeten ontmoedigen.
Met toenemende leeftijd verandert de betekenis van de strategie. Op de kleuterschool kan zij de opbouw van interne getalvoorstellingen bevorderen. Later moeten kinderen rekenprocedures steeds meer automatiseren en uitkomsten uit het geheugen ophalen. Het doel is dus niet blijvend rekenen met de handen, maar een zinvol begeleide overgang van zichtbaar handelen naar mentaal rekenen. De nieuwe bevindingen pleiten tegen een vroeg verbod, niet tegen de ontwikkeling naar hoofdrekenen.
Bronnen
- Franceinfo
- Scientific Reports
- Child Development